zondag 2 augustus 2009

Een trieste dood.

Hij was 24 jaar oud. Ik was 40. Ik was nog geen vader, misschien wist hij daardoor feilloos mijn sluimerend vaderinstinct te raken.
Maar zijn beschaafde uitstraling en zijn vriendelijke aandacht hielpen.

Al was het een vreemde zaak dat hij aandacht gaf, de omstandigheden waren zo dat ik aandacht hoorde te geven en hij aandacht zou ontvangen.

Als ik hem opzocht was dat altijd met een reden, en het ritueel van dat bezoek stond ook vast.
Ik was nooit alleen, dat mocht niet. Ik keek eerst door het raampje van zijn verblijf, klopte, groette, en opende dan de zware met ijzer beklede deur.
De ruimte waarin hij zich bevond was kaal, klein, en stonk altijd, naar ontsmettingsmiddel of naar menselijke ontlasting.

Toch wist hij zijn waardigheid makkelijk te bewaren. Hij rookte graag, niet teveel, twee sigaretten en dan konden we wel weer terug naar de anderen, die ook zorg en aandacht nodig hadden.
Hij vroeg vaak belangstellend of ik wel kon wennen tussen de Friezen, als Limburger. En hoe het nou was, leven en wonen op een eiland.
Als hij vroeg of ik moe was, was ik ook moe. Hij kon dat makkelijk zien, dan keek ik anders dan anders, vertelde hij bijna verontschuldigend glimlachend.

Ik werd geacht erop toe te zien dat hij zijn medicatie gebruikte, behulpzaam liet hij me zien hoe hij de pillen op zijn tong legde en hoe hij ze doorslikte.
Hij vroeg vaak wat ik las, of ik nog naar klassieke muziek luisterde. Of ik daar ook zo rustig van kon worden, of vrolijk.

Hij wilde echte reacties, geen dooddoeners. Ook mijn, soms flauwe, humor kon hij maar matig waarderen. Ik moet echt laten zien en horen wat ik dacht en voelde.
Maar altijd, tegen het eind van de bezoekjes, kwam het moment waarop hij vaststelde: “Ik moet dood ”.

Vastberaden probeerde hij me weg te duwen, altijd voorzichtig, zorgend dat hij me niet verwondde of te hard aanpakte, maar wel met alle kracht duwend. Hij wilde langs me heen, want hij moest dood.
Ik was veel te zwaar voor hem, ik kon hem met zachte hand en door gewoon te blijven staan tegenhouden, maar alle woorden die ik bedacht, gleden langs hem heen. Hij wilde niet, hij had geen keuze, hij geloofde niet dat dit ooit anders zou zijn.
Hij moest dood. Ooit was het hem gelukt langs een collega van me heen te glippen, hij greep een riem en zocht naar een plek om het vonnis te voltrekken. Ik kon hem, met mijn hand losjes op zijn schouder terug begeleiden. Voor mij en voor zijn ouders hoefde hij niet dood.

Zijn ouders, twee, hun kind liefhebbende onderwijzers, wisten dat het onvermijdelijk ging gebeuren toen hij zich op een moment aan de aandacht ontsnapte, zich door een raam wurmde en niet teruggevonden werd.

Het was een winternacht, een collega van me vond hem, het ruwe touw, was centimeters diep in zijn hals gedrongen.
Dat touw had hij gevonden in een wei.
De sloot waarin hij hing was ijskoud.

Hij moest dood, nooit heb ik begrepen waarom en van wie hij dood moest.


Toussaint.